| 13
|
De vreze des
HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en
den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den
mond der verkeerdheden. |
| 14
|
Raad en het
wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is
de Sterkte. |
| 15
|
Door Mij
regeren de koningen, en de vorsten stellen
gerechtigheid. |
| 16
|
Door Mij
heersen de heersers, en de prinsen, al de
rechters der aarde. |
| 17
|
Ik heb lief,
die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken,
zullen Mij vinden. |
| 18
|
Rijkdom en eer
is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid. |
| 19
|
Mijn vrucht is
beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en
Mijn inkomen dan uitgelezen zilver. |
| 20
|
Ik doe wandelen
op den weg der gerechtigheid, in het midden van de
paden des rechts; |
| 21
|
Opdat Ik Mijn
liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun
schatkameren vervullen. |
| 22
|
De HEERE bezat
Mij in het
beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen
aan. |
| 23
|
Ik ben van
eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang,
van de oudheden der aarde aan. |
| 24
|
Ik was geboren,
als de afgronden nog niet waren, als nog geen
fonteinen waren, zwaar van water; |
| 25
|
Aleer de bergen
ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren. |
| 26
|
Hij had de
aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de
aanvang van de stofjes der wereld. |
| 27
|
Toen Hij de
hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een
cirkel over het vlakke des afgronds beschreef; |
| 28
|
Toen Hij de
opperwolken van boven vestigde; toen Hij de
fonteinen des afgronds vastmaakte; |
| 29
|
Toen Hij der
zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel
niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten
der aarde stelde; |
| 30
|
Toen was Ik een
voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn
vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht
spelende; |
| 31
|
Spelende in de
wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn
met de mensenkinderen. |
| 32
|
Nu dan,
kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn
zij, die
Mijn wegen bewaren. |
| 33
|
Hoort de tucht,
en wordt wijs, en verwerpt die
niet. |
| 34
|
Welgelukzalig
is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende
aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner
deuren. |
| 35
|
Want die Mij
vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen
van den HEERE. |
| 36
|
Maar die tegen
Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen,
die Mij haten, hebben den dood lief. |
| |