Begraven óf Cremeren
en de
opstanding / opwekking der doden.
Ons
lichaam is net als onze ziel niet van ons
zelf maar van onze schepper. God zelf.
| 1 Corinthiers |
6 |
19 |
Of weet gij
niet, dat ulieder lichaam
een tempel is van den Heiligen
Geest,
Die in u is, Dien gij van God
hebt,
en [dat] gij
uws zelfs niet zijt? |
Na
de eerste zonde van de mensen zei GOD tot
hen:
| Genesis |
3 |
19 |
In het zweet uws
aanschijns zult gij brood eten,
totdat gij tot de aarde
wederkeert,
dewijl gij daaruit genomen zijt;
want gij zijt stof, en gij zult
tot stof wederkeren. |
En verder:
1
Corinthiers
|
15
|
44
|
Een natuurlijk
lichaam wordt er gezaaid,
een geestelijk lichaam wordt er
opgewekt.
Er is een
natuurlijk lichaam, en er is een
geestelijk lichaam. |
Zo
heeft God het dus bedoeld met onze aardse
lichamen.
Zoals we in dit
stoffelijke lichaam zijn geboren uit deze
aarde waar de satan regeert,
(over de mensen die zich niet door Jezus
laten redden)
kunnen we dus niet voor God bestaan.
Jezus leert ons de noodzaak tot
wedergeboorte.
We moeten opnieuw geboren worden, niet
meer uit de zondige aarde, maar uit GOD!
| Johannes |
3 |
5 |
Jezus antwoordde:
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:
Zo iemand niet geboren wordt uit
water en Geest,
hij kan in het Koninkrijk Gods
niet ingaan. |
Hieronder de
tegenstelling van vóór en ná de
wedergeboorte.
| Psalmen |
51 |
7 |
Zie, ik ben in
ongerechtigheid geboren, en in
zonde heeft mij mijn moeder
ontvangen. |
| 1 Johannes |
3 |
9 |
Een iegelijk, die
uit God geboren is, die doet de
zonde niet,
want Zijn zaad
blijft in hem; en hij kan niet
zondigen,
want
hij is uit God geboren. |
Ons
aardse lichaam heeft dus een einde.
Maar het blijft een geschenk van God,
en een tempel van Zijn Heilige Geest.
Rekening houdend
met het bovenstaande is het ons inziens
al ongepast om
lichamen van mensen te verbranden.
Verder heeft de
keuze van crematie vaak alles te maken
met de verwachting na het sterven.
We als Christenen
in de verwachting van de opstanding der
doden,
en de wederkomst van Gods Zoon, Jezus
Christus.
(En van de opname van de dan nog levende
Gemeente van Jezus t.Z.t.)
De Bijbel leert ons dat uiteindelijk ALLE
graven weer open zullen gaan.
Dat lezen we o.a.
in: 1 Tessalonica 4
1
Thessalonicensen 4
|
13
|
Doch,
broeders, ik wil niet, dat gij onwetende
zijt van degenen, die ontslapen zijn,
opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als
de anderen, die geen hoop hebben.
|
14
|
Want
indien wij geloven, dat Jezus gestorven
is en opgestaan, alzo zal ook God
degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder
brengen met Hem.
|
15
|
Want
dat zeggen wij u door het Woord des
Heeren, dat wij, die levend overblijven
zullen tot de toekomst des Heeren, niet
zullen voorkomen degenen, die ontslapen
zijn.
|
16
|
Want
de Heere Zelf zal met een geroep, met de
stem des archangels, en met de bazuin
Gods nederdalen van den hemel; en die
in Christus gestorven zijn, zullen eerst
opstaan;
|
17
|
Daarna
wij, die levend overgebleven zijn, zullen
te zamen met hen opgenomen worden in de
wolken, den Heere tegemoet, in de
lucht; en alzo zullen wij altijd met den
Heere wezen.
|
18
|
Zo
dan, vertroost elkander met deze woorden.
|
Ook
in het oude testament lezen we al van de
wederopstanding,
dat God doodsbeenderen weer opnieuw tot leven
wekt:
Ezechiel, hoofdstuk:
37
|
Vers
|
Staten vertaling
|
1
|
De hand des HEEREN was op
mij, en de HEERE voerde mij uit in den
geest, en zette mij neder in het midden
ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.
|
2
|
En Hij deed mij bij dezelve
voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er
waren zeer vele op den grond der vallei;
en ziet, zij waren zeer dor.
|
3
|
En
Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen
deze beenderen levend worden? En ik zeide:
Heere HEERE, Gij weet [het]!
|
4
|
Toen
zeide Hij tot mij: Profeteer over deze
beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre
beenderen! hoort des HEEREN woord.
|
5
|
Alzo
zegt de Heere HEERE tot deze beenderen:
Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en
gij zult levend worden.
|
6
|
En
Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u
doen opkomen, en een huid over u trekken,
en den geest in u geven, en gij zult
levend worden; en gij zult weten, dat Ik
de HEERE ben.
|
7
|
Toen profeteerde ik, gelijk
mij bevolen was, en er werd een geluid,
als ik profeteerde, en ziet een beroering!
en de beenderen naderden, [elk] been tot
zijn been.
|
8
|
En ik zag, en ziet, en er
werden zenuwen op dezelve, en er kwam
vlees op; en Hij trok een huid boven over
dezelve, maar er was geen geest in hen.
|
9
|
En Hij zeide tot mij:
Profeteer tot den geest; profeteer,
mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt
de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de
vier winden, en blaas in deze gedoden,
opdat zij levend worden.
|
10
|
En ik profeteerde, gelijk
als Hij mij bevolen had. Toen kwam de
geest in hen, en zij werden levend en
stonden op hun voeten, een gans zeer
groot heir.
|
11
|
Toen zeide Hij tot mij:
Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse
huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze
beenderen zijn verdord, en onze
verwachting is verloren, wij zijn
afgesneden.
|
12
|
Daarom,
profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de
Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven
openen, en zal ulieden uit uw graven doen
opkomen, o Mijn volk! en
Ik zal u brengen in het land Israels.
|
13
|
En gij zult weten, dat Ik de
HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben
geopend, en als Ik u uit uw graven zal
hebben doen opkomen, o Mijn volk!
|
14
|
En Ik zal Mijn Geest in u
geven, en gij zult leven, en Ik zal u in
uw land zetten; en gij zult weten, dat
Ik, de HEERE, [dit] gesproken en gedaan
heb, spreekt de HEERE.
|
15
|
Wijders geschiedde des
HEEREN woord tot mij, zeggende:
|
16
|
Gij nu, mensenkind! neem u
een hout, en schrijf daarop: Voor Juda,
en voor de kinderen Israels, zijn
metgezellen; en neem een ander hout, en
schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van
Efraim, en van het ganse huis Israels,
zijn metgezellen.
|
17
|
Doe gij ze dan naderen, het
een tot het ander tot een enig hout; en
zij zullen tot een worden in uw hand.
|
18
|
En wanneer de kinderen uws
volks tot u zullen spreken, zeggende:
Zult gij ons niet te kennen geven, wat u
deze dingen zijn?
|
19
|
Zo spreek tot hen: Alzo zegt
de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van
Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en
van de stammen Israels, zijn metgezellen,
nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen
tot het hout van Juda, en zal ze maken
tot een enig hout; en zij zullen een
worden in Mijn hand.
|
20
|
De houten nu, op dewelke gij
zult geschreven hebben, zullen in uw hand
zijn voor hunlieder ogen.
|
21
|
Spreek dan tot hen: Zo zegt
de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen
Israels halen uit het midden der
heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en
zal ze vergaderen van rondom, en brengen
hen in hun land;
|
22
|
En Ik zal ze maken tot een
enig volk in het land, op de bergen
Israels; en zij zullen allen te zamen een
enigen Koning tot koning hebben; en zij
zullen niet meer tot twee volken zijn,
noch voortaan meer in twee koninkrijken
verdeeld zijn.
|
23
|
En zij zullen zich niet meer
verontreinigen met hun drekgoden, en met
hun verfoeiselen, en met al hun
overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit
al hun woonplaatsen, in dewelke zij
gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo
zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik
zal hun tot een God zijn.
|
24
|
En Mijn Knecht David zal
Koning over hen zijn; en zij zullen allen
te zamen een Herder hebben; en zij zullen
in Mijn rechten wandelen, en Mijn
inzettingen bewaren en die doen.
|
25
|
En zij zullen wonen in het
land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven
heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja,
daarin zullen zij wonen, zij en hun
kinderen, en hun kindskinderen tot in
eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal
hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.
|
26
|
En Ik zal een verbond des
vredes met hen maken, het zal een eeuwig
verbond met hen zijn; en Ik zal ze
inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en
Ik zal Mijn heiligdom in het midden van
hen zetten tot in eeuwigheid.
|
27
|
En Mijn tabernakel zal bij
hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn,
en zij zullen Mij tot een volk zijn.
|
28
|
En de heidenen zullen weten,
dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige,
als Mijn heiligdom in het midden van hen
zal zijn tot in eeuwigheid.
|
Maar wat zegt de bijbel dan over het
cremeren van mensen?
Lees
hieronder het volgende ingezonden stukje:
| |
Begraven of cremeren en wat zegt
de bijbel ervan.
De
oorsprong van cremeren vinden we
uitsluitend bij de heidense en niet
joodse stromingen. Bij hun is er geen
opstanding en om dat onmogelijk te maken
liet men zich cremeren.
Begrafenis
is in de Bijbel de eerbare manier van
lijkbezorging. Het wordt in de Bijbel als
een schande gezien als een mens niet
begraven wordt. Kijk o.a.: 1 Sam 17:44-46;
1 Kon 14:9,13; 2 Kon 9:10; Psalm 79:1-3;
Pred 8:10; Jes 14:18-20. Begraven is de
manier van lijkbezorging die bij de mens
als Gods beeld dat in zonde gevallen is,
past. Dat wordt nog duidelijk als we er
op letten wat we in Bijbel over
verbranding van lijken lezen.
Crematie in de Bijbel
Het verbranden van een lichaam heeft in
de Bijbel met schande en straf te maken.
De verbranding Het verbranden of verassen
is een manier van lijkbezoring die juist
schande en oneer uitdrukt.
Voorbeelden
van verbranding en bijna verbranding in
de Bijbel.
Gen 38:24. De schoondochter van Juda is
Tamar. Zij wordt er van beschuldigd dat
zij overspel gepleegd heeft. De reactie
van Juda is dan dat Tamar uit haar huis
gehaald moet worden en dan moet ze
verbrand worden. We hebben hier te maken
met een doodstraf door verbranding. Het
gaat er nu niet om dat en waarom deze
straf in dit geval niet uitgevoerd is.
Een ding is duidelijk dat hier gedreigd
wordt met een schandelijke dood.
Leviticus 20:14 We lezen hier: Wie
met een vrouw trouwt en ook met haar
moeder, begaat een schanddaad. Hij en
beide vrouwen moeten worden verbrand,
want dergelijke schanddaden mogen bij
jullie niet voorkomen. De zonde
waaover hier gesproken wordt is zo groot
dat van mensen die zo geleefd hebben niet
op aarde over mag blijven. Hun lichamen
moeten worden verbrand. Iedereen moet
weten dat op deze manier van leven de
eeuwige straf, het eeuwige vuur volgt.
Leviticus 21:9. In dit verzen lezen we:
Als de dochter van een priester
zich door hoererij ontwijdt, ontwijdt ze
haar vader en moet ze worden verbrand.
Hoererij is in Israel een ernstige zonde.
Wanneer de dochter van een priester als
hoer leeft is dat nog ernstiger omdat zij
daarmee een smet op Gods dienaar en
daarmee ook op Gods heiligdom legt. Om
deze smet helemaal weg te halen, mag er
niets van haar lichaam overblijven. Van
het lichaam waarmee zij zo intens
gezondigd heeft. De smet op Gods
heiligdom moet radicaal verdwijnen door
de verbranding van haar lichaam.
Jozua 7:15,25. Het volk Israel is het
beloofde land binnengegaan. Het land
Kanaan moet nu door het volk verder
ingenomen worden. De eerste stad die
ingenomen wordt is Jericho. De HERE zorgt
daarvoor door de muren van deze stad te
laten instorten. De HERE heeft gezegd dat
niemand bij het veroveren van Jericho
iets voor zichzelf uit de stad mag nemen.
Het volk moet bij het innemen van Kanaan
leren dat niet de volken die zij
overwinnen aan hen welvaart en rijkdom
geven. Dat komt van God alleen. Aan de
HERE komt de rijkdom die er in Kanaan te
vinden is toe. Door niet van wat er in
Jericho voor zichzelf te nemen, kan het
volk haar dankbaarheid aan de HERE laten
zien. Dan is er toch nog een man, Achan
die kostbare dingen uit de stad voor
zichzelf meeneemt. We lezen wat de straf
daarop is en dat die straf ook uitgevoerd
wordt: Dan moet degene die wordt
aangewezen als de schuldige, verbrand
worden, hij en al de zijnen, want hij
heeft het verbond met de HEER geschonden.
Wat hij gedaan heeft is voor het volk
Israel een schanddaad. ...... Jozua zei:
Jij hebt ons in het ongeluk gestort!
Daarom zal de HEER jou vandaag in het
ongeluk storten. Hij en al de zijnen
werden door heel Israel gestenigd en
verbrand.
De verbranding van hun lichamen moest
laten zien dat ze een heel grote zonde
gedaan hadden.
2 Koningen 23:15-18. De gelovige koning
Josia gaat naar Bethel. Hij vernietigt
daar het heiligdom waar Israel heel lang
de HERE door beelden vereerd heeft. Deze
vernietiging is vervulling van een
eerdere profetie. Zie 1 Koningen 13.
Wanneer Josia dat heiligdom vernield
heeft, ziet hij de graven die er bij dat
heiligdom zijn. Dat zijn mensen die zich
juist bij het heiligdom hebben laten
begraven omdat dat heiligdom voor hen
heel veel waarde had.
Wat doet Josia met de lichamen die in die
graven daar liggen? Wat doet hij met de
lichamen van mensen die zich tot in hun
graf met de beeldendienst verbonden
hebben? Hij laat hun botten uit de graven
halen een laat die verbranden. Dit is
weer een teken van straf en afschuw. Het
is duidelijk dat verbranding, dat
crematie ook hier het teken van straf is.
Wat gebeurt er nog meer? Er is ook een
graf van een echte profeet van de HERE.
Deze man heeft niet met de beeldendienst
daar meegedaan. Josia geeft opdracht om
de overblijfselen van die man en van de
profeet uit Samaria met rust te laten.
Zie vers 17,18.
Amos 2:1-3. We lezen in dit gedeelte van
de Bijbel dat het volk van Moab het
lichaam van de koning van Edom verbrand
heeft. Dat is in Gods ogen een van de
grote zonden waarom Zijn straf over Moab
sal komen. We zien hier hoe erg de HERE
de verbranding van het lichaam van een
mens haat als dat volgens Zijn wil niet
nodig is.
De
Schrift maakt duidelijk dat begraven de
manier van lijkbezorging is die met Gods
wil in overeenstemming is. Het is ook
duidelijk dat crematie, verbranding van
het lichaam niet de gewone manier van
lijkbezorging mag zijn. Crematie past
niet bij echte beschaving. Het past niet
bij een overheid, bij een volk, bij een
mens die de HERE volgens Zijn Woord wil
dienen.
|
|