| Mail: In
welke hoofdstukken vd Bijbel kan ik
uitspraken vinden over : God zoekt mij?
Geef mij svp een handreiking anders zie
ik door de bomen het bos niet meer.
alvast bedankt.
|
Dag .....,
Ik
zal proberen voorbeelden te geven.
Het gaat niet alleen om wanneer
Jezus of de God de Vader ons roept,
maar ook waarom, en waartoe.
Wanneer de mensen (Adam en Eva) meer
op de slang vertrouwen dan op God,
en ze ervoor kiezen
om wijs te worden buiten God om,
hebben ze een keuze gemaakt die de
band tussen hen en God (hun Vader en Schepper) volledig
verbroken heeft.
Alle vrijmoedigheid naar God was
weg,
en God had hen aangezegt dat ze die
keuze met de dood zouden bekopen.
Maar, God laat het er niet bij dat
de mens zichzelf (en hun nageslacht) "verkocht"
heeft aan de satan.
De mensen zullen direct al begrepen
hebben dat ze bedrogen zijn door de slang.
Ze verborgen zich voor God.
God roept ze bij zich, eerst ter
verantwoording.
Daarna in vers 15 kondigt God al aan
dat Hij het er niet bij laat zitten,
dat de mensheid in de handen van de
satan is.
Genesis 3
8
En zij hoorden de
stem van den HEERE God, wandelende in den
hof, aan de wind des daags.
Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor
het aangezicht van den HEERE God, in het
midden van het geboomte des hof |
| 9 |
En
de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem:
Waar zijt gij? |
| 10 |
En hij zeide: Ik
hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde;
want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. |
| 11 |
En Hij zeide: Wie
heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt
zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van
welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet
eten zoudt? |
| 12 |
Toen zeide Adam: De
vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die
heeft mij van dien boom gegeven, en ik
heb gegeten. |
| 13 |
En de HEERE God
zeide tot de vrouw: Wat is dit, [dat] gij
gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang
heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten. |
| 15 |
En Ik
zal vijandschap zetten tussen u (satan) en tussen deze
vrouw (het nageslacht van
Eva),
en tussen uw zaad en tussen haar zaad;
datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij
zult het de verzenen vermorzelen.
|
Later
in Joh. 3:16 lezen we hoe de Here God dat gaat
aanpakken:
| |
16
Want alzo lief heeft God de wereld gehad,
dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven
heeft,
opdat een iegelijk die in Hem gelooft,
niet verderve, maar het eeuwige leven
hebbe.
|
Als
we lezen dat Jezus door de satan word verzocht in
Lukas 4: 6
lezen we dat de mensheid
letterlijk in de handen van de satan is.
| |
6 |
En de duivel zeide tot Hem:
Ik zal U al deze macht, en de
heerlijkheid derzelver [koninkrijken]
geven;
want zij is mij
overgegeven, en ik geef ze,
wien ik ook wil |
Via
Zijn Zoon Jezus komt God ons zoeken.
Nu weet je wat dit zoeken inhoud. Hij wil ons
terug, uit de klauwen van de satan.
Eén ding dat daarvoor nodig is, is
dat Jezus als mens de satan weerstaat, en de wet (Gods
wil) volbrengt.
Het tweede dat niet mag ontbreken is
dat wijzelf Hem weer opnieuw aannemen.
Dat lezen we in Joh. 1:12
Echter in vers 11 lezen we al dat lang niet
iedere Israëliet (mens) deze goede keuze maakt
voor Hem.
| 11 |
Hij is gekomen tot
het Zijne, en de Zijnen hebben Hem
niet aangenomen. |
| 12 |
Maar zovelen Hem
aangenomen hebben, dien heeft Hij macht
gegeven kinderen Gods te worden, [namelijk]
die in Zijn Naam geloven; |
God
belooft ons ook te vernieuwen door Zijn Geest, nadat wij
gehoor geven aan zijn roepen.
Ook lezen we duidelijk dat je
geboren bent in een wereld waar satan letterlijk
heerst.
En dat je zelfs opnieuw geestelijk
geboren (uit God) moet worden, om bevrijd
te worden uit de klauwen van de satan.
Zie joh. 3
| 3 |
Jezus antwoordde en
zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik
u: Tenzij dat iemand wederom geboren
worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet
zien. |
| 4 |
Nicodemus zeide tot
Hem: Hoe kan een mens geboren worden, [nu]
oud zijnde? Kan hij ook andermaal in
zijner moeders buik ingaan, en geboren
worden? |
| 5 |
Jezus antwoordde:
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand
niet geboren wordt uit water en Geest,
hij kan in het Koninkrijk Gods niet
ingaan. |
| 6 |
Hetgeen uit
het vlees geboren
is, [dat] is vlees;
en hetgeen uit den Geest
geboren is, [dat] is
geest. |
Persoonlijke
overgave aan Jezus, is dus de enige weg naar een
vrij leven met God, zonder de binding van de
satan.
In Joh. 17:14 komt deze
tegenstelling weer terug, samen met de vijandschap
van Genesis 3:15
Ik (Jezus) heb
hun Uw woord gegeven; en de wereld
heeft ze gehaat,
omdat zij van de wereld niet
zijn, gelijk als Ik van de wereld
niet ben. |
Het
komen van Jezus in de wereld is een zoeken en
roepen naar mensen die bevrijd willen worden.
God doet dit omdat Hij zoveel om ons
geeft, en omdat
Hij wil dat wij Hem liefhebben.
Het zoeken van God gaat bijna
altijd samen met de roep tot bekering (volledige
overgave)
Zie Johannes de doper in Lucas 3
| 3 |
En hij
kwam in al het omliggende land der
Jordaan, predikende den doop der bekering
tot vergeving der zonden. |
| 4 |
Gelijk
geschreven is in het boek der woorden van
Jesaja, den profeet,
zeggende: De stem des
roependen in de woestijn:
Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn
paden recht! |
| 5 |
Alle dal
zal gevuld worden, en alle berg en heuvel
zal vernederd worden,
en de kromme wegen zullen tot een
rechten weg worden, en de oneffen
tot effen wegen. |
| 6 |
En
alle vlees zal de zaligheid Gods zien.
|
Daarvoor leert Jezus ons
bijvoorbeeld de gelijkenissen van de verloren
zoon,
en bijvoorbeeld van het verloren schaap hieronder:
| Lukas, hoofdstuk:
15 |
| Vers |
Staten vertaling |
| 1 |
En al de tollenaars
en de zondaars naderden tot Hem, om Hem
te horen. |
| 2 |
En de Farizeen en
de Schriftgeleerden murmureerden,
zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en
eet met hen. |
| 3 |
En Hij sprak tot
hen deze gelijkenis, zeggende: |
| 4 |
Wat
mens onder u, hebbende honderd schapen;
en een van die verliezende, verlaat niet
de negen en negentig in de woestijn, en
gaat naar het verlorene, totdat hij
hetzelve vinde? |
| 5 |
En
als hij het gevonden heeft, legt hij het
op zijn schouders, verblijd zijnde. |
| 6 |
En
te huis komende, roept hij de vrienden en
de geburen samen, zeggende tot hen: Weest
blijde met mij; want ik heb mijn schaap
gevonden, dat verloren was. |
| 7 |
Ik
zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal
zijn in den hemel over een zondaar, die
zich bekeert, [meer] dan over negen en
negentig rechtvaardigen, die de bekering
niet van node hebben. |
| 8 |
Of
wat vrouw, hebbende tien penningen,
indien zij een penning verliest,
ontsteekt niet een kaars, en keert het
huis [met bezemen], en zoekt
naarstiglijk, totdat zij [dien] vindt? |
| 9 |
En
als zij [dien] gevonden heeft, roept zij
de vriendinnen en de geburinnen samen,
zeggende: Weest blijde met mij; want ik
heb den penning gevonden, dien ik
verloren had. |
| 10 |
Alzo,
zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de
engelen Gods over een zondaar, die zich
bekeert. |
| 11 |
En
Hij zeide: Een zeker mens had twee zonen. |
| 12 |
En
de jongste van hen zeide tot den vader:
Vader, geef mij het deel des goeds, dat [mij]
toekomt. En hij deelde hun het goed. |
| 13 |
En
niet vele dagen daarna, de jongste zoon,
alles bijeenvergaderd hebbende, is
weggereisd in een ver [gelegen] land, en
heeft aldaar zijn goed doorgebracht,
levende overdadiglijk. |
| 14 |
En
als hij het alles verteerd had, werd er
een grote hongersnood in datzelve land,
en hij begon gebrek te lijden. |
| 15 |
En
hij ging heen, en voegde zich bij een van
de burgers deszelven lands; en die zond
hem op zijn land om de zwijnen te weiden.
|
| 16 |
En
hij begeerde zijn buik te vullen met den
draf, dien de zwijnen aten; en niemand
gaf hem dien. |
| 17 |
En
tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij:
Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben
overvloed van brood, en ik verga van
honger! |
| 18 |
Ik
zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik
zal tot hem zeggen: Vader, ik heb
gezondigd tegen den Hemel, en voor u; |
| 19 |
En
ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd
te worden; maak mij als een van uw
huurlingen. |
| 20 |
En
opstaande, ging hij naar zijn vader. En
als hij nog ver [van hem] was, zag hem
zijn vader, en werd met innerlijke
ontferming bewogen; en [toe] lopende,
viel hem om zijn hals, en kuste hem. |
| 21 |
En
de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb
gezondigd tegen den Hemel, en voor u, en
ben niet meer waardig uw zoon genaamd te
worden. |
| 22 |
Maar
de vader zeide tot zijn dienstknechten:
Brengt [hier] voor het beste kleed, en
doet het hem aan, en geeft hem een ring
aan zijn hand, en schoenen aan de voeten;
|
| 23 |
En
brengt het gemeste kalf, en slacht het;
en laat ons eten en vrolijk zijn. |
| 24 |
Want
deze mijn zoon was dood, en is weder
levend geworden;
en hij was
verloren, en is gevonden! En
zij begonnen vrolijk te zijn. |
| 25 |
En
zijn oudste zoon was in het veld; en als
hij kwam, en het huis genaakte, hoorde
hij het gezang en het gerei, |
| 26 |
En
tot zich geroepen hebbende een van de
knechten, vraagde, wat dat mocht zijn. |
| 27 |
En
deze zeide tot hem: Uw broeder is
gekomen, en uw vader heeft het gemeste
kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder
ontvangen heeft. |
| 28 |
Maar
hij werd toornig, en wilde niet ingaan.
Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem. |
| 29 |
Doch
hij, antwoordende, zeide tot den vader:
Zie, ik dien u [nu] zo vele jaren, en heb
nooit uw gebod overtreden, en gij hebt
mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met
mijn vrienden mocht vrolijk zijn. |
| 30 |
Maar
als deze uw zoon gekomen is, die uw goed
met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt
gij hem het gemeste kalf geslacht. |
| 31 |
En
hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd
bij mij, en al het mijne is uwe. |
| 32 |
Men
behoorde dan vrolijk en blijde te zijn;
want deze uw broeder was dood, en is
weder levend geworden; en hij was
verloren, en is gevonden. |
============================================
Als laatste voorbeeld geef ik het
gebeuren rondom Zacheüs:
============================================
| Lukas, hoofdstuk:
19 |
| Vers |
Staten vertaling |
| 1 |
En [Jezus],
ingekomen zijnde, ging door Jericho. |
| 2 |
En zie, er was een man, met
name geheten Zacheus; en deze was een
overste der tollenaren, en hij was rijk; |
|
| 3 |
En zocht Jezus te
zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de
schare, omdat hij klein van persoon was. |
| 4 |
En
vooruitlopende, klom hij op een wilden
vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want
Hij zou door dien [weg] voorbijgaan. |
| 5 |
En
als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts
ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus!
haast u, en kom af; want Ik moet heden in
uw huis blijven. |
| 6 |
En hij haastte zich
en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.
|
| 7 |
En allen, die het
zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot
een zondigen man ingegaan, om te
herbergen. |
| 8 |
En Zacheus stond,
en zeide tot den Heere: Zie, de helft van
mijn goederen, Heere, geef ik den armen;
en indien ik iemand iets door bedrog
ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel
weder. |
| 9 |
En
Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize
zaligheid geschied, nademaal ook deze een
zoon van Abraham is. |
| 10 |
Want
de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken
en zalig te maken,
dat verloren was. |
| 11 |
En als zij dat
hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een
gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem
was, en [omdat] zij meenden, dat het
Koninkrijk Gods terstond zou openbaar
worden. |
| 12 |
Hij zeide dan: Een
zeker welgeboren man reisde in een ver [gelegen]
land, om voor zichzelven een koninkrijk
te ontvangen, en dan weder te keren. |
| 13 |
En geroepen
hebbende zijn tien dienstknechten, gaf
hij hun tien ponden, en zeide tot hen:
Doet handeling, totdat ik kome. |
| 14 |
En zijn burgers
haatten hem, en zonden hem gezanten na,
zeggende: Wij willen niet, dat deze over
ons koning zij. |
| 15 |
En het geschiedde,
toen hij wederkwam, als hij het
koninkrijk ontvangen had, dat hij zeide,
dat die dienstknechten tot hem zouden
geroepen worden, wien hij het geld
gegeven had; opdat hij weten mocht, wat
een iegelijk met handelen gewonnen had. |
| 16 |
En de eerste kwam,
en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden
daartoe gewonnen. |
| 17 |
En hij zeide tot
hem: Wel, gij goede dienstknecht, dewijl
gij in het minste getrouw zijt geweest,
zo heb macht over tien steden. |
| 18 |
En de tweede kwam,
en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden
gewonnen. |
| 19 |
En hij zeide ook
tot dezen: En gij, wees over vijf steden.
|
| 20 |
En een ander kwam,
zeggende: Heer, zie [hier] uw pond,
hetwelk ik in een zweetdoek weggelegd
had; |
| 21 |
Want ik vreesde u,
omdat gij een straf mens zijt; gij neemt
weg, wat gij niet gelegd hebt, en gij
maait, wat gij niet gezaaid hebt. |
| 22 |
Maar hij zeide tot
hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, gij
boze dienstknecht! Gij wist, dat ik een
straf mens ben, nemende weg, wat ik niet
gelegd heb, en maaiende, wat ik niet
gezaaid heb. |
| 23 |
Waarom hebt gij dan
mijn geld niet in de bank gegeven, en ik,
komende, had hetzelve met woeker mogen
eisen? |
| 24 |
En hij zeide tot
degenen, die bij hem stonden: Neemt dat
pond van hem weg, en geeft het dien, die
de tien ponden heeft. |
| 25 |
En zij zeiden tot
hem: Heer, hij heeft tien ponden. |
| 26 |
Want ik zeg u, dat
een iegelijk, die heeft, zal gegeven
worden; maar van degene, die niet heeft,
van dien zal genomen worden ook wat hij
heeft. |
| 27 |
Doch deze mijn
vijanden, die niet hebben gewild, dat ik
over hen koning zoude zijn, brengt [ze]
hier, en slaat ze [hier] voor mij dood. |
| 28 |
En dit gezegd
hebbende, reisde Hij voor [hen] heen, en
ging op naar Jeruzalem. |
| 29 |
En het geschiedde,
als Hij nabij Beth-fage en Bethanie
gekomen was, aan den berg, genaamd den
Olijfberg, dat Hij twee van Zijn
discipelen uitzond, |
| 30 |
Zeggende: Gaat
henen in dat vlek, dat tegenover is; in
hetwelk inkomende, zult gij een veulen
gebonden vinden, waarop geen mens ooit
heeft gezeten; ontbindt hetzelve, en
brengt het. |
| 31 |
En indien iemand u
vraagt: Waarom ontbindt gij [dat], zo
zult gij alzo tot hem zeggen: Omdat het
de Heere van node heeft. |
| 32 |
En die uitgezonden
waren, heengegaan zijnde, vonden het,
gelijk Hij hun gezegd had. |
| 33 |
En als zij het
veulen ontbonden, zeiden de heren van
hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij het
veulen? |
| 34 |
En zij zeiden: De
Heere heeft het van node. |
| 35 |
En zij brachten
hetzelve tot Jezus. En hun klederen op
het veulen geworpen hebbende, zetten zij
Jezus daarop. |
| 36 |
En als Hij [voort]
reisde, spreidden zij hun klederen onder
[Hem] op den weg. |
| 37 |
En als Hij nu
genaakte aan den afgang des Olijfbergs,
begon al de menigte der discipelen zich
te verblijden, en God te loven met grote
stemme, vanwege al de krachtige daden,
die zij gezien hadden; |
| 38 |
Zeggende: Gezegend
[is] de Koning, Die daar komt in den Naam
des Heeren! Vrede [zij] in den hemel, en
heerlijkheid in de hoogste [plaatsen!] |
| 39 |
En sommigen der
Farizeen uit de schare zeiden tot Hem:
Meester, bestraf Uw discipelen. |
| 40 |
En Hij,
antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg
ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen
haast roepen zullen. |
| 41 |
En als Hij nabij
kwam, en de stad zag, weende Hij over
haar, |
| 42 |
Zeggende: Och, of
gij ook bekendet, ook nog in dezen uw
dag, hetgeen tot uw vrede [dient]! Maar
nu is het verborgen voor uw ogen. |
| 43 |
Want er zullen
dagen over u komen, dat uw vijanden een
begraving rondom u zullen opwerpen, en
zullen u omsingelen, en u van alle zijden
benauwen; |
| 44 |
En zullen u tot den
grond nederwerpen, en uw kinderen in u;
en zij zullen in u den [enen] steen op
den [anderen] steen niet laten; daarom
dat gij den tijd uwer bezoeking niet
bekend hebt. |
| 45 |
En gegaan zijnde in
den tempel, begon Hij uit te drijven
degenen, die daarin verkochten en
kochten, |
| 46 |
Zeggende tot hen:
Er is geschreven: Mijn huis is een huis
des gebeds; maar gij hebt dat tot een
kuil der moordenaren gemaakt. |
| 47 |
En Hij leerde
dagelijks in den tempel; en de
overpriesters, en de Schriftgeleerden, en
de oversten des volks zochten Hem te
doden. |
| 48 |
En zij vonden niet,
wat zij doen zouden; want al het volk
hing Hem aan, en hoorde [Hem]. |
Ik hoop dat
ik op deze manier iets heb kunnen uitleggen over
het zoeken, en roepen van God.
Hij wil dat wij Hem in alle vrijheid liefhebben!
(dus niet als robots)
Hij heeft zelf de weg daarvoor weer vrijgemaakt.
Door Jezus die tot in de dood gehoorzaamde.
En door Zijn Heilige Geest die Hij beloofd (garandeerd) aan
iedereen die Hem aanneemt,
en zich laat dopen, in Zijn Naam, om
opnieuw geboren te worden, uit Hem!,
en niet langer uit deze wereld.
Uit eigen ervaring weet ik dat in veel gevestigde
kerken word geleerd dat de mens niet kán kiezen,
maar dat God voor sommige mensen (uitverkorenen)
heeft gekozen.
En dat de mens dus niet uit mag spreken: "Jezus,
kom in mijn hart"
Dat is volgens de bijbel niet waar!
God roept ALLE mensen die bereikt worden met
het evangelie.
Als die uit vrije wil zich bekeren en laten dopen
zal God Zijn Geest in hun hart geven.
En je hun kracht geven om Hem te volgen en de
satan te weerstaan.
Dat geldt voor ALLE mensen die op de aarde leven.
Niemand uitgezonderd.
Nog een klein stukje dat ik
laatst schreef aan iemand:
De gemeente is de bruid van
Jezus. Van Hem
komt het aanzoek.
Maar zonder een volmondig JA van
onze kant is er geen huwelijk mogelijk.
Dat heeft God zo gewild, dat wij
hem LIEF HEBBEN uit vrije wil.
Het beeld van de gemeente als
"bruid van Christus" is niet in de
bijbel gebruikt
omdat we als willoze wezens (robots)
door God geprogrammeerd zijn.
Iedereen KAN behouden worden.
De bijbel leert wel dag God
ervoor kan zorgen dat iemand bereikt/aangeraakt
word,
maar er MOET een PERSOONLIJK JA!
volgen uit onze eigen mond.
Dat is meer dan alleen dankbaar
zijn voor het feit dat je binnen de kerkmuren
bent geboren.
Wie zich Christen noemt moet
niet zijn eigen verantwoordelijkheid vergeten.
God beloofd Zijn Geest aan
iedereen die Hem gehoorzaamd (in alles).
Hij geeft dan ook door Zijn
Geest de KRACHT om oude zonden los te laten.
Wie die keuze niet wil maken
zal steeds weer tegen een muur oplopen.
Dat kan ook niet anders want
Jezus maakt alléén vrij wie zich volledig
aan Hem geeft.
Tot
zover.
Ik wens je Gods zegen toe bij het onderzoeken van
deze dingen.
Want, Den oprechten gaat het licht op in
de duisternis (Psalm 112:4a)
Hartelijke
groeten, en Gods
zegen,
Ruud Bredewold
|